De werkloosheid stijgt.
Geert Noels, vroeger econoom bij het beurshuis Petercam, zegt dat de werkloosheid groter is dan de cijfers aangeven (De Morgen 7/1). Hij zou bijvoorbeeld de bruggepensioneerden en de dienstencheques er willen bijtellen, en nog anderen.De chef van de VDAB, Fons Leroy, bevestigt de cijfers, maar zegt dat we prioriteiten moeten stellen.
Wat geen van beiden ter sprake brengt, is een fundamentele reden voor de alsmaar toenemende werkloosheid. Want het is niet de crisis, zegt Noels. Mag ik even aanvullen? De bedrijven verminderen stelselmatig het aantal arbeidsplaatsen omdat de productiviteit per werknemer steeds hoger wordt; gemiddeld 1-1,5 % per jaar in België).
De meeste bedrijven hebben overcapaciteit, zeker nu de consumptie afneemt, of weinig stijgt door de sociale (en psychologische) crisis. Het schrappen van tienduizenden arbeidsplaatsen laat de bedrijven toe hun winsten te handhaven tegelijk met een stagnerende of dalende productie. Er zijn natuurlijk verschillen tussen de bedrijven, de ene ziet de winst in 2009 dalen ten opzichte van de vorige succesjaren, bij de andere blijft ze gehandhaafd. Samen maken ze miljarden winst, zelfs in het rampzalige jaar 2009; die cijfers geven de bedrijven zelf. Dat is mogelijk doordat er fel wordt bespaard op de loonkosten, en dat is heel eenvoudig door het aantal arbeidsplaatsen te verminderen. Finaal resulteert dit in een verschuiving van inkomen van de werknemers naar de eigenaars en topfuncties van de bedrijven. Het crisisklimaat dat dagelijks onderhouden wordt in de media helpt om dit door het publiek en de politiek te doen slikken. Is daar een betere oplossing voor? Ja, de gestegen productiviteit omzetten in verminderde arbeidsduur, met behoud van koopkracht, en zonodig vermindering van de bonussen en dividenden. De waarde van deze laatsten voor de gemeenschap en voor de economie is zeer onduidelijk en in vele gevallen negatief; de bankencrisis is daarvan een voorbeeld. Activering van werklozen als er geen arbeidsplaatsen zijn is een valse formule.
Frank Roels, Gent.
15/01/2010
Begrotingstekort: bloedernstig
Yvan Van de Cloot, hoofdeconoom van de onafhankelijke denktank Itinera, luidt de alarmklok over het deficit op de federale begroting. De burger die het leest zal vanacht slecht slapen. Een vandaag geboren kind zal 60.000 euro meer moeten bijdragen aan de overheid dan het ontvangt in zijn levensloop, zegt Van de Cloot.
Doe nooit voorspellingen, zeker niet over de toekomst, is een verstandige wetenschappelijke regel. Hoe betrouwbaar zijn de voorspellingen gebleken van experten in 2007? Leve de computerprogramma's: er komt altijd een cijfer uit.
Maar wat moeten we nu doen met dat begrotingstekort? Pas op het einde lees ik een halve zin: 3,9 miljard euro besparen. "Besparen": hèt toverwoord. Wat betekent het in de praktijk? Minder mogelijkheden voor de overheden, dus minder geld voor ziekteverzekering en gezondheidszorg, onderwijs, gerecht, politie, autostrades, riolering, waterzuivering, drinkwatervoorziening, onze energierekening, en vooral: de werklozen die er alsmaar bijkomen. Kunnen we de dop na zes maand niet stopzetten? Kunnen we het brugpensioen niet afschaffen? Van De Cloot blijft hierover in het vage; maar een alternatief geeft hij niet.
Als we nu eens een uitzonderlijke crisisbelasting zouden heffen op de gigantische winsten van de bedrijven, bijvoorbeeld van 100% - in plaats van die winsten te zien verdwijnen naar onbekende bankrekeningen op de Caayman eilanden e.d., of naar obscure investeringsfondsen die bedrijven verplichten hun loonkosten te verlagen, d.w.z. nog meer werklozen te maken.
Vreemd toch dat sommige economisten zich geen zorgen maken dat hun besparingsvoorstellen de koopkracht van de modale burger verlagen, zowel deze mèt werk als zonder werk. Terwijl Itinera zichzelf noemt: "voor sociale bescherming". What 's in a name...
Frank Roels, Gent.
15/01/2010
De kameraden maken de brug ... (of tunnel?)
Op maandagavond om 20u was het dan eindelijk zover. In café De Nieuwe Sportclub in Gent organiseerden SP.a-Rood Oost-Vlaanderen en de Gentse wijkafdeling SP.a Rood Station een debat tussen Daniël Termont, Gents burgemeester en belangrijk mandataris van de SP.a, en Erik De Bruyn, voorman van de beweging SP.a-rood, die de SP.a een linksere en meer democratische koers wil doen varen.
Dit debat, met als thema "Een socialistisch beleid in tijden van economische crisis" had de bedoeling om een open discussie op gang te brengen tussen de militanten van SP.a-Rood en de andere partijleden en -mandatarissen. Daniël Termont was, als openlijk voorstander van de discussie met SP.a-Rood, de geschikte persoon om zich mee in dit initiatief te engageren.
Enkele dagen voor het debat was de crisis in de partij opnieuw volop losgebarsten, toen enkele mails uitlekten die het weinig democratische proces illustreren hoe ministerposten worden verdeeld en hoe verkozen mandatarissen worden bespeeld. Deze gebeurtenis dreigde even roet in het eten te gooien toen werd voorgesteld om ook dit belangrijke actuele punt ter discussie op de agenda te plaatsen, en ook de pers hierbij uit te nodigen. Dit probleem werd echter opgelost door de pers vooralsnog niet uit te nodigen, en het heikele punt formeel van de agenda te houden.
Op het debat waren ruim 80 aanwezigen. Café De Nieuwe Sportclub, een traditionele socialistische vergaderplaats, zat dan ook overvol. Op dit vlak was de avond dus al zeker een succes te noemen.
Er was voorzien om het debat op te bouwen rond een vijftal onderwerpen, maar de moderator van dienst, de heer Jacques Vandersichel, paste deze indeling heel flexibel toe, en zette zo zijn eigen stempel op de gelegenheid.
Uit het debat kwam naar voor dat Daniël Termont en Erik De Bruyn het op heel wat vlakken met elkaar eens zijn, maar dat ze ook vaak verschillen in de strategische keuzes die zij maken en de wijze waarop zij hun ideeën in de praktijk willen brengen.
Een eerste opvallende uitspraak van de burgemeester, was dat hij er geen enkel probleem mee heeft om zichzelf een marxist te noemen. Hij verwees naar zijn jonge jaren bij de jongsocialisten, waar hij in de gelegenheid was om kennis te maken met het marxistische gedachtegoed.
Ook de keuze vóór de solidariteit, waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen, was een punt van eensgezindheid tussen beide sprekers. Zo stelde Daniël Termont voor om de winsten af te toppen en dit bedrag in een solidariteitsfonds te stoppen waarmee de armoede kan worden weggewerkt. Ook vond hij het een schande dat er zoveel geld werd gegeven aan de banken, zonder dat daar ook maar enige voorwaarden tegenover werden gesteld. Helaas weigerde hij deze gedachte door te trekken naar de volledige nationalisatie van deze instellingen, zoals dat bij Erik wel het geval is. Toch moest ook hij toegeven dat het recente voorstel van John Crombez om een volkslening aan te gaan, kenmerken vertoont die in de richting gaan van een staatsbank, ook al zijn er nog aanzienlijke tekortkomingen in dit opzicht. Erik vraagt zich af waarom we dan niet meteen voor het volledige alternatief gaan, dus een echte staatsbank onder democratische controle.
In het verlengde van deze discussie bekritiseerde burgmeester Termont de rol die de politiek, waaronder ook de SP.a, had gespeeld bij de privatisering van vele openbare instellingen, zoals de ASLK of het Gemeentekrediet.
Naast de ideologische standpunten, waarop beide sprekers grotendeels overeen kwamen, waren er echter ook enkele botsingen, waarvan de nasleep van de voorzittersverkiezingen het scherpst tot uiting kwam.
Daniël Termont verwijt Erik De Bruyn dat hij zich bij de voorzittersverkiezingen niet tegelijk kandidaat heeft gesteld voor het partijbureau, alwaar hij ook zijn stem had kunnen laten horen binnen de partij. Daniël beschuldigt Erik ervan bewust aan de zijlijn te willen blijven staan, en enkel kritiek te willen leveren op de partij via de media. Hoewel Erik duidelijk maakte dat hij dit als een afbreuk zou hebben gezien aan zijn kandidatuur voor het voorzitterschap, vond hij dit geen bevredigend antwoord. De opmerking van Erik dat het partijbureau in de praktijk ook niet geschikt is voor leden die daarnaast nog een gewone job uitoefenen, kon bij hem echter wel op een stilzwijgende bevestiging rekenen.
Naast dit politiek-strategische twistpunt, trad nog een ander verschil aan het licht, ditmaal toch ook op ideologisch vlak. Burgemeester Termont is van mening dat een groot deel van de mensen tot de middenklasse is gaan behoren. Hoewel de SP.a zeker ook deze middenklasse moet aanspreken, wil hij dat de partij zich vooral bekommert om de verbetering van het lot van het beduidend kleinere armste deel van de bevolking. Erik repliceerde hierop door te wijzen op het niet-wetenschappelijke karakter van een dergelijke opdeling in midden- en lagere klasse. Alle personen die in (het grootste deel van) hun levensonderhoud voorzien door middel van het loon uit hun arbeid, behoren tot dezelfde klasse, ongeacht de hoogte van dit loon. De SP.a moet haar doelpubliek dus niet kunstmatig opsplitsen, maar moet zich tot de volledige loontrekkende klasse richten.
Na ongeveer een uur werd ook de gelegenheid gegeven aan de talrijke aanwezigen om hun vragen op de sprekers af te vuren. Als eerste kwam een vraag naar meer democratie in de partijstructuren. De manier waarop mensen in de afdelingen worden betrokken, en al dan niet een stem krijgen op de congressen, zorgt ervoor dat bijna niemand van SP.a-Rood zijn of haar mening via de gewone partijkanalen kan uiten. Burgemeester Termont beaamt dat er op nationaal niveau en ook elders nog heel wat problemen zijn op dit vlak.
Een andere aanwezige gaat hier verder op in en vraagt Daniël Termont of hij, als lid van het partijbureau, bereid is om op dat niveau het voorstel te doen om de congressen op een meer democratische manier te organiseren. Zo zouden de afdelingen voldoende op voorhand de voorbereidende teksten moeten krijgen, en zouden ze deze moeten kunnen bespreken en amenderen. Tevens wordt gevraagd, indien het partijbureau hem niet zou volgen, en SP.a-Rood dan een campagne zou voeren rond dit punt, of Termont deze campagne dan openlijk zou steunen. Op beide vragen antwoordt Daniël Termont kort en duidelijk "Ja!"
Dit positieve antwoord vormt meteen het einde van een succesvol debat, waarmee de eerste stap voor een toenadering werd gezet. Deze zal hopelijk massaal navolging kennen bij de andere mandatarissen van de socialistische partij.
Door Lorenzo Eecloo
Voor reacties, klik op zijn naam om hem te mailen.
Het vergiftigd geschenk van de perceptie
Door Nadat zij haar doctoraat in de pers-en communicatiewetenschap verwierf aan de Universiteit Gent was zij tot 2001 verbonden aan de Amsterdam School of Communications Research (ASCoR) van de Universiteit van Amsterdam. Zij vervulde gastdocentschappen aan diverse buitenlandse universiteiten (University of York, UK; Universiteit van Padua, de Universiteit van Perugia, San Diego State University, USA). Haar onderzoeksinteresse omvat de psychologische, linguïstische en technologische aspecten van politieke communicatie. |
Zijn adviseur Boudewijn Bouckaert is trouwens net als ik een ervaringsdeskundige in politieke propaganda. Ruim een kwarteeuw terug was hij mijn voorganger als verantwoordelijke voor de gestencilde ledenkrant "Rood Station" van de gelijknamige Gentse SP-wijkclub, die op dat moment ook al meer dan een halve eeuw bestond. De "propagandaverantwoordelijke" moest instaan voor zowel de inhoud, de productie, als de distributie van het blad, dat bij gelegenheden als verkiezingen over de ganse wijk moest worden gebust. De economische recessie en de volmachtenregeringen van Wilfried Martens (en Verhofstadt!) zorgden in die tijd van verzuiling trouwens voor grote scharen enthousiaste hulpkrachten voor mij- collega Bouckaert was net vertrokken naar de PVV. Binnen het wijkclubbestuur werd ik later verkozen tot verantwoordelijke CSC (Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid), in welke hoedanigheid ik lezingen organiseerde met onder andere collega Brice De Ruyver (later adviseur van premier Verhofstadt) die werden aangekondigd in onze periodiek. Er gebeurden in die Gentse SP - wijkafdeling toen nog heel veel meer activiteiten- en niet enkel naar aanleiding van nationale en provincie- of gemeenteraadsverkiezingen. In de wijkclub zelf vonden trouwens ook geregeld verkiezingen plaats - voor bestuursleden, voor afgevaardigden met stemrecht op congressen op verschillende bestuursniveaus, én voor kandidaten op kieslijsten. Er was in die tijd in feite sprake van een permanente campagnevoering waarbij talrijke partijleden en sympathisanten betrokken werden. Een kwart eeuw later is het politieke en medialandschap getransformeerd en hebben marketing, consulting en professionalisering hun intrede gemaakt in de Belgische politiek. De nieuwe communicatiedynamiek die is overgewaaid uit de Verenigde Staten beïnvloedt fel de politieke campagnevoering. De "modernisering" ging in de meeste Europese landen in wisselend tempo vanaf het vierde kwart van de vorige eeuw van start. Ontzuiling, commercialisering en technologische innovatie (o.a. Internet) hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling. Vanaf dan is het in toenemende mate de smaak van het grote publiek die de toon aangeeft in de media. Mede door het gigantische zenderaanbod is de macht van de televisie spectaculair gegroeid. De modernisering betekent voor de politiek dat er een beroep wordt gedaan op marktprincipes, dat er gretig gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden die de televisie biedt en in mindere doch stijgende mate van het Internet. Politieke kandidaten laten zich coachen door professionals om meer kiezers te lokken. Het contact met het publiek van kiezers en sympathisanten verloopt "geprofessionaliseerd". De partijtop wordt bijgestaan door politieke adviseurs en de campagnevoering gebeurt anders dan vroeger overwegend via de massamedia. Het kiespubliek wordt gericht bespeeld met vooral televisiespots- en optredens, kranteninterviews- en advertenties, partijsites en kandidatensites, en soms opiniepeilingen. De communicatie in en buiten de partijen wordt niet langer (grotendeels) overgelaten aan partijleden- en militanten. De professionalisering van de politiek zorgt in de meeste partijen voor een serieuze verwijdering tussen de partijtop en de kiezers. Deskundigen beschouwen niettemin het contact met de burger, de inbreng van de kiezer en het centraal staan van de ideologie als belangrijke criteria voor het bepalen van de (democratische) kwaliteit van kiescampagnes. Volgens de nieuwe communicatiedynamiek is er in de partijen echter geen rol meer weggelegd voor partijleden, militanten en sympathisanten. Het wekt nog nauwelijks verbazing als het kartel Sp.a - Spirit bij de federale verkiezingen van 10 juni de Antwerpse kamerlijst laat aanvoeren door BV en professor Christine Van Broeckhoven. Zij geeft publiekelijk toe geen partijlid te zijn. In de ene partij nog meer dan in de andere is het de partijtop die zelf het beleid bepaalt, die beslist met welke andere partijen er kartels aangegaan worden, die oordeelt wie er in aanmerking komt voor welke posities op de lijst, in de partij en daarbuiten. De meeste partijen organiseren alles zo professioneel als mogelijk en met grote aandacht voor "perceptie". Met een goed imago haalt men veel stemmen, een slecht imago moet bijgestuurd worden. De poppetjes zijn belangrijk. Een grote invloed van de partijtop op de campagne is niet noodzakelijk negatief, alleen moet er natuurlijk wel sprake zijn van een dialoog. Willen politieke partijen volop gebruik maken van de moderne communicatiedynamiek dan moeten zij rekening houden met de ijzeren medialogica van personalisering, dramatisering en vereenvoudiging. Om veel media-aandacht te krijgen moeten partijen zorgen voor entertainment. De droge vakman is minder interessant dan de knappe babe. Een ingewikkelde politieke argumentatie neemt (te) veel tijd in beslag en jaagt kijkers weg. Geef die maar een lekkere politieke rel, een huilende politicus, of een klinkende soundbite. Soundbites zijn korte krachtige uitspraken van politici die meer dan andere geciteerd worden door de media. Hoe kort ze ook zijn, ze vertellen een verhaal, met beeldspraak (metaforen) en klankrijm, zoals de veelvuldig geciteerde uitspraak van Sp.a -er Louis Tobback dat "paars bont en blauw uitslaat na een tijdje" over een coalitie tussen liberalen en socialisten. Metaforen brengen op vereenvoudigde wijze een boodschap over. Zij xàç voor een goede interactie met het publiek. Met beeldspraak kunnen Politici kunnen bepaalde aspecten verdoezelen of juist goed doen uitkomen. Beeldspraak brengt daarbij op subtiele wijze ideologie over. De Decker zegt voor de federale verkiezingen van 10 juni 2007 dat hij met zijn "Partij van het gezond verstand" (LDD) wil opkomen "tegen de pamperpolitiek van de Sp.a" (VRT1, 19 januari 2007), en na de verkiezingen dat "een clanoorlog tussen het kamp van De Gucht en dat van Somers en Van Quickenborne nu onafwendbaar is (Knack 13 juni 2007). Volgens de regels van de propaganda moet men zich voor een optimaal resultaat zo goed mogelijk kunnen verplaatsen in zijn publiek. Men moet empathie opbrengen en ertoe in staat zijn de wereld te zien zoals de doelgroep die ziet. Om deze redenen waren de meest succesvolle propagandisten van de geallieerden Duitsers. Propaganda probeert ook steeds aan te knopen bij stereotiepen die reeds bestaan bij het publiek. Niet toevallig bedienen populisten als Jean-Marie De Decker en rechtsextremisten als Filip De Winter en Frank Van Hecke zich veel meer dan andere politici van dit propagandamiddel. Het is daarentegen de vraag of de verliezende partijen bij de verkiezingen SP.a- Spirit en Open VLD niet onvoldoende de mogelijkheden van de retoriek gebruikt hebben om een opening te vinden naar het hart van de kiezer. Hebben zij zich niet al te veel opgesloten in een intellectueel, goed onderbouwd en dogmatisch jargon voor de happy few, het tegenovergestelde van holle demagogische retoriek? De democratie heeft in het algemeen baat bij een politiek discours dat zich beweegt tussen de beide uitersten. Politieke taal moet rijk zijn aan goede ideeën én een breed publiek aanspreken. Immers, feiten informeren, emoties inspireren. Kiezers laten zich in de nieuwe communicatiedynamiek voor politieke meningsvorming vaak inspireren door emoties. Indrukken over iemands persoonlijkheid worden verworven aan de hand van uiterlijkheden. Volgens verschillende studies van de onderzoeksgroep politieke communicatie aan de Universiteit Antwerpen is inhoud beslist (helaas?) niet het enige wat telt in de politiek. Het uiterlijk van kandidaten is een onbetwist element in het sturen, in hun voor- of nadeel, van de perceptie van kiezers. Een verband tussen uiterlijk en andere persoonskenmerken kan in de realiteit niet gelegd worden. Mensen koppelen toch persoonlijkheidskenmerken en kwaliteiten vaak aan een bepaald uiterlijk. Het gunstige politieke uiterlijk bestaat écht, evenals het ongunstige. Het stereotiep van het domme blondje is onverdroten populair. Naarmate men mensen beter kent wordt de invloed van uiterlijk onbelangrijk. In de soundbitecultuur kent men de politieke kandidaten vaak (alleen) via de televisie of door hun foto op verkiezingsfolders. Naast een politiek geschikt uiterlijk bestaat er ook zoiets als een persoonlijkheid die beter of minder geschikt is voor de politiek. Het publiek verkiest politici die het percipieert als extravert en dominant (charismatisch en joviaal) boven introverte en toegewijde politici (bijv. dossiervreters). En helaas is er ook sprake van discrimatie inzake geslacht. Zowel vrouwen als mannen kiezen veel vaker voor een man dan voor een vrouw op de lijst. Dit blijkt ook weer uit de federale verkiezingen van 10 juni. Eigen onderzoek leert bovendien dat kinderen al de neiging hebben om politiek te associëren met mannen. Kinderen krijgen hun waarden vooral mee van de ouders, de sociale omgeving en de "peers", maar ook van de school en de media. Het goede nieuws is dat kinderen die niet-klassieke schooltypes volgen als Freinet en Steiner anders dan andere kinderen politiek ook met vrouwen associëren. Kinderen die veel televisie kijken doen dit veel minder. Resultaten van onderzoek bij kinderen én volwassenen naar de perceptie van persoonlijkheidskenmerken en politieke geschiktheid onderstrepen het belang van emoties bij de politieke preferentievorming. Appreciaties van beide groepen bleken immers nauwelijks uiteen te lopen. Propaganda mag dan een negatieve bijklank hebben, democratische politici die een positief project voorstaan kunnen er beter niet hun neus voor ophalen. Politieke marketing, political consulting en professionalisering van de politiek lijken intellectuele politici geschenken uit de hemel. Zij dienen enkel marketeers op een clevere manier de perceptie te laten sturen en mogen zich verder naar hartelust met talent verdiepen in hun zeer positieve project. Het gebrek aan affectieve overeenstemming met de doelgroep kan echter zuur opbreken. Dat is alvast één les die 10 juni ons leert. |
|
Christ'l De Landtsheer